« O, gouffre! l’ âme plonge et rapporte le   

     doute.

Nous entendons  sur nous les heures, goutte à goutte,

Tomber comme l’eau sur les plombes ;

L’ homme est brumeux, le monde est noir, le ciel est sombre,

Les formes de la nuit vont et viennent dans l’ombre ;

Et nous, pâles, nous contemplons.

 

Nous contemplons l’obscur, l’inconnu, l’invisible,

Nous sondons le réel, l’idéal, le possible,

L’être, spectre toujours présent.

Nous regardons trembler l’ombre indéterminée.

Nous sommes accoudés sur notre destinée,

L’oeil fixe et l’esprit frémissant.

 

Nous épions des bruits dans ces vides funèbres,

Nous écoutons le souffle, errant dans les ténèbres,

Dont frissonne l’obscurité ;

Et, par moment, perdus dans les nuits insondables,

La vitre de l’éternité. »     Victor Hugo

 

 

      We leren ons kennen in interactie met anderen en het

      uiteindelijk resultaat van dit proces is het ‘beeld’ van onszelf.

‘Ken uzelve’ stond reeds in gouden letters op de tempel van Delphi.

Tot in de 18e eeuw zijn er weinig verwijzingen voor te vinden

dat de bevolking van Europa zich lang bezighield met de vraag ‘wie ben ik’.

Het zelf werd beschouwd als een onveranderlijke eenheid (de ziel) die bepaald werd door afkomst.

De maatschappelijke veranderingen, met name de industriële revoluties,

die de Westers wereld sindsdien heeft ondergaan hebben ook het zelf veranderd.

Mensen krijgen steeds meer keuzevrijheid

In de cognitieve psychologie wordt zelfconcept opgevat als complexe,

cognitieve structuur die zoals alle cognitieve structuren onze waarneming

leidt en tegelijkertijd door nieuwe informatie veranderd kan worden.

 

 

 

Maskerade

Het gordijntje van de maatschappij, een “decor-stuk”

Onze maatschappij, de steden getekend door het wezenlijk, symbolische gordijntje.

Die af en toe een tipje van de sluier bloot geeft.

’s Avonds gaat het dicht,

’s morgens gaat het open, of laat men het liever dicht om

de zonnestralen buiten te houden?

Als we het zouden berekenen is het gordijntje langer dicht

dan open.

Gerelateerd aan de camera van de fotograaf is het gordijntje meer dicht dan open.

Slechts een fractie van een seconde verdwijnt het beeld om het nadien terug op te roepen in zijn

verschijning/ verdwijning.

      Ik, ik heb mijn gordijntje aan de kapstok gehangen; het

      hangt er mooier, het oogt mooier.

Zo krijg ik het vensterglas transparant aangeboden.

Het middel om af te schermen wordt hier gebruikt als decorstuk het decoreren van mijn kapstok.

Is ieder middel van afschermen geen stuk decor?

Zoals het masker een decorstuk is van ons gezicht?

Zoals de foto een decorstuk wordt aan de muur?

Een decor in decor.

Kijkend door mijn transparant venster stuit ik op een afgeschermd venster,

in mijn gezichtsveld zijn er vier.

 

Ik had graag nog eens verwezen naar het woord

“decor-stuk “ waar je iedere dag mee wordt geconfronteerd.

Neem nu de gebruikelijke stoel, in ons dagelijks decor aanwezig, waar we op gaan zitten.

 

Of ons vriendje dat je uitnodigend wenkt op hem  te gaan zitten.

Het verschil is, uw vriendje bewijs je er een dienst mee,

de stoel niet.

De stoel laat zich gebruiken, ongewild warm of koud laat de stoel zijn zitvlak warmen.

Bij het fotograferen loopt het op dezelfde manier.

Sommige dingen, gebeurtenissen bieden zich spontaan aan om gefotografeerd te worden.

Ze wenken je, vragen om aandacht, je houdt halt en nadien ben je tevreden, ben je opgelucht.

Andere gebeurtenissen gebeuren zonder dat je er erg in hebt.

Ze roepen en tieren niet, maar het stilzwijgen vraagt ongewild om aandacht.

 

      Ik ben altijd op zoek naar een  transparant venstertje, blijkt

      dat ze heel zeldzaam zijn. Meestal weerspiegelen ze alleen

      uw eigen beeld en bieden ze geen inkijk, doorkijk.

      De  reflecties, die mij op dat moment omringen,

      vervol-ledigen  mijn beeld.

Pas als de andere, verscholen achter het venster, het venster opent en

het gordijn wegschuift wordt je geconfronteerd met de ander die uw eigen persoon reflecteert.

Je bestaat slechts in de ogen van de ander.

Je est un autre. Lacan.

 

Het ‘idee’ hoe moeten we dat verstaan? Het doet me

      onmiddellijk denken aan het ventje met zijn lampje boven het hoofd (waar is zijn schakelaar?).

Je hebt het idee dagdagelijkse dingen uit te voeren,

het vervullen van de menselijke behoeftes, het idee om te eten, om te slapen... .

Ik denk dat het lichtje reeds brandt bij het vooropgestelde idee, het doel op zich is het licht.

Bij een ingeving (verkeerd gekozen woord) daarentegen vertrek je van een schakelaar,

na eerst het electriciteitsnetwerk te doorlopen merk je dat het licht te evident is geworden.

Waarom niet gewoon het licht gebruiken in zijn zuivere vorm

en de weerkaatsing registreren op de gevoelige emulsielaag van de film?

In hoeverre durft men nog het electriciteitsnetwerk te doorlopen?

Het fotografisch medium hanteer ik hier als expressievorm van mijn persoon.

Vertrekkende van een werkelijkheid projecteer ik mijn visie van die waarneembare werkelijkheid

die ik enkel kan waarnemen vanuit mijn eigen gesloten gedachte die niet waarneembaar is,

enkel in haar afbeelding kan ik zoeken naar wat ze me vertellen.

 

Of zoals John C. Lilly het formuleert:

“Een blik die gelijktijdig zowel de uiterlijke werkelijkheid

waarneemt als de innerlijke werkelijkheid registreert; die

bepaalt wat je buiten jezelf meent waar te nemen, of zelfs

kunt waarnemen.”